Jaap Bakema en Jo Coenen: twee generaties architect-stedenbouwkundigen of stedenbouwkundig architecten in Tilburg

Koningswei_2_2

Op weinig plaatsen in Nederland heeft de architectuurgeschiedenis van de afgelopen eeuw zo’n concreet gezicht gekregen als in Tilburg. In het zuidelijk deel van het stadscentrum, op de plek van de voormalige tuinen van het buitenverblijf van Koning Willem II, bevinden zich een aantal gebouwen die exemplarisch zijn voor hun tijd, zoals het kantongerecht van Jos. Bedaux, de Stadsschouwburg van Gerard Holt en Bernard Bijvoet, de ‘Kattenrug’ van Jo van den Broek en Jaap Bakema en het Kunstkluster van Jo Coenen. Wat de plek echter zo interessant maakt is het feit dat hier in stedenbouwkundig opzicht opeenvolgende stromingen naast, door en over elkaar zijn waar te nemen. Boeiend is vooral het gegeven dat de twee expontenten van de architect-stedenbouwkundige of stedenbouwkundig architect, Jaap Bakema (1914-81) en Jo Coenen (1949) zich in totaal verschillende tijden met deze plek hebben beziggehouden.

De Koningswei is de enige plek ter wereld waar de Architectengemeenschap Van den Broek en Bakema de megastructuren die terugkomen in hun prijsvraagontwerpen voor onder andere Berlijn (1958), Frankfurt am Main (1962), Tel Aviv (1962), Zürich (1963-64), Amsterdam (1964) en Ashdod (1965), zij het iets afgezwakt, in de praktijk heeft kunnen brengen. In Tilburg verbindt een in vijf stappen oplopend, gebogen woongebouw, bijgenaamd de ‘Kattenrug’ het oorspronkelijke centrum met een nieuw marktplein.

Het plan in Tilburg is omstreden omdat het is gerealiseerd op een overgangsmoment naar een compleet andere, misschien wel tegenovergestelde architectuuropvatting. De moderne opvattingen over de maakbaarheid van de samenleving waren al voor de oplevering van Plan Koningswei hevig onder druk komen te staan. Men verlangde naar een meer contextgebonden en kleinschalige architectuur. In lijn met deze ontwikkeling werd eind jaren tachtig van de vorige eeuw Jo Coenen gevraagd de weidsheid van het plan van Van den Broek en Bakema duidelijke grenzen te geven. Hij deed dit onder andere door op verschillende plekken pergola’s neer te zetten als visuele en ruimtelijke begrenzing van pleinen.

De scriptie gaat in op de vraag in hoeverre de concepten ‘traditionele stad’, ‘moderne stad’ en ‘postmoderne stad’, die de gemeente en de Technische Universiteit Eindhoven halverwege de jaren negentig van de twintigste eeuw in het onderzoek ‘Stadsvorm Tilburg’ op de stad Tilburg van toepassing verklaren, ook gelden voor één specifieke plek in de stad. Zijn de plannen van Van den Broek en Bakema wel zo modern als ze op het eerste gezicht lijken of hebben ook zij zich wel degelijk laten beïnvloeden door de context? Is Coenen wel te vangen onder het etiket ‘postmodernist’ en had hij niet wellicht een even omvattend plan als Van den Broek en Bakema in gedachten? Waar het onderzoek van de gemeente en de TU/e vooral een morfologische invalshoek heeft, stelt mijn scriptie daar een meer geschiedkundige benadering tegenover.

Afbeeldingen: Regionaal Archief Tilburg

Koningswei_5